Veel gemaakte fouten

Tony Naessens

Pastoor Verrieststraat 83

8570 Ingooigem (Anzegem)

West-Vlaanderen

TEL 056/ 77.56.64

GSM 0475/ 47.44.40

www.tonynaessens.be

 

BTW  BE 0770.027.471

Erk.nr. EP07760

KPRV-20111017-00019

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Top

· Hemelwater dat op terras of verharde vlakken valt en wordt afgevoerd in een rooster of sifonputje is verplicht af te voeren naar overloop regenwater (RWA).

· Een sifonputje langs de gevel met regenwaterkraan erboven en terras vloeit niet af naar sifonputje wordt afgevoerd naar vuil water (DWA) Dit is meer bedoeld om vuil water in uit te gieten.

· Heb je een sifonputje in het midden van terras zitten, en het water vloeit naar het sifon klokje dan is dit afvoer naar overloop regenwater (RWA).

· Dit is ook van toepassing bij alle verharde vlakken. (vb.oprit, inrit, doorgang)

· Overdekt dakterras dit water moet afgevoerd worden naar (DWA).

· Buitenzwembad afvoer overloop (RWA).

· Binnenzwembad afvoer naar (DWA).

· Septische putten

· Verduidelijking wetgeving septische put in te optimaliseren buitengebied.

Zoals vermeld en hieronder nogmaals aangehaald moet in te optimaliseren buitengebied zowel zwart als grijs water in door de septische put.
Voor dimensionering, etc…, van de septische put.
Aansluiten van grijs en zwart water op de septische put in collectief te optimaliseren gebied is geen voorwerp van een nieuwe richtlijn. Deze bepaling en dan meer bepaald de opname van de zoneringsplannen en -gebieden, is reeds opgenomen in Vlarem II sinds 2008 (BVR 9 mei 2008, BS 23 juni 2008).

“Vlarem II:
Definities: “individuele voorbehandelingsinstallatie : septische putten of gelijkaardige inrichtingen voor de behandeling van huishoudelijk afvalwater ter verwijdering van vetstoffen, bezinkbare en drijvende stoffen”

Afdeling 6.2.2: “Subafdeling 6.2.2.3. De lozing van huishoudelijk afvalwater in het collectief te optimaliseren buitengebied

Artikel 6.2.2.3.1. § 1. De algemene voorwaarden voor de lozing van huishoudelijk afvalwater gelegen in het collectief te optimaliseren buitengebied luiden als volgt :

1° het te lozen afvalwater dat in zodanige hoeveelheden pathogene kiemen bevat dat het ontvangende water er gevaarlijk door kan worden besmet, moet ontsmet worden;
2° de pH van het geloosde water mag niet meer dan 9 of niet minder dan 6,5 bedragen;
3° het biochemisch zuurstofverbruik in vijf dagen bij 20 °C van het geloosde water mag volgende waarde niet overschrijden : 25 milligram zuurstofverbruik per liter;
4° in het geloosde afvalwater mag het volgende gehalte niet overschreden worden : 60 milligram per liter voor de zwevende stoffen;
5° bovendien mag het geloosde afvalwater geen stoffen bevatten van bijlage 2C, van titel I van het VLAREM in concentraties die hoger zijn dan tien keer de indelingscriteria, vermeld in de kolom « indelingscriterium GS (gevaarlijke stoffen) » van artikel 3 van bijlage 2.3.1 van dit besluit, noch alle andere stoffen, met een gehalte dat rechtstreeks of onrechtstreeks schadelijk zou kunnen zijn voor de gezondheid van de mens, voor de flora of fauna;
6° een representatief monster van het geloosde afvalwater mag geen oliën, vetten of andere drijvende stoffen bevatten in zulke hoeveelheden dat een drijvende laag op ondubbelzinnige wijze kan vastgesteld worden; in geval van twijfel, kan dit vastgesteld worden door het monster over te gieten in een scheitrechter en door vervolgens na te gaan of twee fasen gescheiden kunnen worden.

§ 2. Voor lozingen gelegen in het collectief te optimaliseren buitengebied wordt geacht aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, te zijn voldaan indien het afvalwater minstens wordt gezuiverd door middel van een individuele voorbehandelingsinstallatie, gebouwd en uitgebaat volgens de code van goede praktijk.

§ 3. Indien het collectief te optimaliseren buitengebied geheel of gedeeltelijk overgaat in een collectief geoptimaliseerd buitengebied is de noodzakelijke afkoppeling van de bestaande individuele voorbehandelingsinstallatie afhankelijk van de afwateringssituatie of de aard van de toegepaste zuiveringstechnologie.

§ 4. Als het collectief te optimaliseren buitengebied geheel of gedeeltelijk overgaat in het collectief geoptimaliseerde buitengebied, moeten de bestaande individuele behandelingsinstallaties voor afvalwater (IBA) in het veranderde gedeelte afgekoppeld worden.”

Afdeling 4.8.2: “Subafdeling 4.2.8.1. Lozing van huishoudelijk afvalwater in het individueel te optimaliseren buitengebied of het collectief te optimaliseren buitengebied” bepaalt voor het collectief te optimaliseren gebied hetzelfde als bovenstaande maar dan voor ingedeelde inrichtingen (lozing >600m³ huishoudelijk afvalwater/jaar).


Bijkomend heeft de VMM een verduidelijking gegeven omtrent het al dan niet gelden van deze verplichting bij bestaande woningen:

De concrete bouwvergunning dient de diverse bepalingen rond de septische put te bevatten. Het klopt evenwel dat in heel veel bestaande gebouwen destijds geen septische put of slechts een septische put voor zwart water werd opgelegd. De wet op de bescherming van oppervlaktewateren (’71) maakte echter nooit onderscheid tussen zwart en grijs water.

Voor een stuk is deze discussie ook niet meer zo relevant want:
Artikel 6.2.2.3.1., § 2 Vlarem II bepaalt dat men in het collectief te optimaliseren buitengebied verplicht een septische put moet plaatsen. Het bouwjaar van de woning is hierbij irrelevant. Het collectief te optimaliseren buitengebied omvat delen van de vroeger bestaande zuiveringszone B, de zuiveringszone C en de oppervlaktewaterlozers. Destijds werd in - het ondertussen opgeheven - artikel 6.2.1.3., § 4 Vlarem II bepaald dat de septische put voor bestaande lozingen binnen de vijf jaar na de inwerkingtreding van Vlarem II in werking moest zijn. Deze bepaling had betrekking op gemeenten waarvoor het gemeentelijk zoneringsplan nog niet definitief was vastgesteld.
Omdat Vlarem II op 1 augustus 1995 in werking trad, liep deze overgangstermijn voor bestaande inrichtingen dus af op 1 augustus 2000.
Het toezicht op de effectieve plaatsing van een septische put is echter een gemeentelijke aangelegenheid. Het spreekt natuurlijk voor zich dat dit niet overal strikt is opgevolgd.

Indien bij een keuring dus een septische put ontbreekt in het collectief te optimaliseren buitengebied, moet de keurder dit afkeuren. Het is dan aan de exploitant om hierop te reageren en de plaatsing van de septische put op te leggen op basis van Vlarem II. Indien deze septische put natuurlijk nooit in de vergunning was opgenomen, kan de burger in deze weinig verweten worden en kan die een vordering eisen van de gemeente voor het later plaatsen van de septische put.

Sowieso moet de keurder zich enkel baseren op de situatie ter plaatse en de geldende wetgeving. Indien afgekeurd wordt, dan is het aan de exploitant om gevolg te geven aan deze gevallen. De keurder kan niet op de hoogte zijn van de historiek van de wetgeving en de woning.

dus is het bouwjaar van de woning eigenlijk irrelevant. Er was voor alle woningen dus een overgangsperiode van 5 jaar om zich in orde te stellen met de algemene verplichting in Vlarem.
Los van wanneer de woning dus gebouwd is (in collectief te optimaliseren buitengebied), dient deze een septische put te hebben waar alle afvalwater in behandeld wordt. Dit in afwachting van riolering in het collectief te optimaliseren buitengebied.